Geert Jan in de TV Show van Ivo Niehe

Ivo Niehe was op Kasteel Beverweerd voor opnames van de TV Show. Uitzending van Zondag 1 augustus – Seizoen 2021 Afl. 1

Een geactualiseerde herhaling van één van de meest besproken afleveringen waarin Ivo Niehe een aantal van de grote meestervervalsers portretteert. Met een hoofdrol voor de in hoeveelheden recordhouder op dit gebied, Geert-Jan Jansen.

Klik hier om de aflevering op uitzending gemist te kijken.

Wereldpremière van de voorstelling True Copy

‘De enige die nooit erkenning krijgt is de vervalser. Tenzij hij ontmaskerd wordt.’
Geert Jan Jansen in Perhaps All The Dragons.

In True Copy laat BERLIN in haar kenmerkende stijl verschillende werelden en realiteiten op het podium samenvloeien. Samen met haar hoofdpersonage legt ze de vinger op enkele pijnpunten binnen de kunstwereld, maar toont ze ook het universele verhaal van één man die zich staande tracht te houden binnen een web van leugens. Of zijn het variaties op de waarheid?

Op 6 mei 1994 vallen de gendarmes binnen op het Franse landgoed van Geert Jan Jansen. Ze stoten er op meer dan 1600 werken van grootmeesters als Picasso, Dalí, Appel, Matisse en Hockney. Opmerkelijk detail: het merendeel ervan blijkt door een Nederlander gemaakt. Geert Jan weet gedurende meer dan twintig jaar de kunstwereld op te lichten. Hij doet dit zo overtuigend dat Picasso en Appel nietsvermoedend echtheidscertificaten uitschrijven bij werk dat hij heeft geschilderd. ‘Ik ben geen oplichter, ik ben een verlichter,’ zegt hij er zelf over. ‘Ik denk dat ik hen best wat werk uit handen heb genomen.’

Vandaag hangen er in musea wereldwijd nog steeds vier werken waarvan niemand vermoedt dat ze eigenlijk van Geert Jan komen. Een spellingsfout in een certificaat dat hij uitschrijft bij een werk “in de stijl van” Chagall doet hem uiteindelijk de das om. Na BERLINs Perhaps All The Dragons, waarin Geert Jan reeds opduikt als een van de dertig verhalenvertellers, staat hij in True Copy nu centraal. In de schaduw van de grote meesters, schaaft hij doorheen de jaren aan zijn ambacht. Geert Jans werk en leven is een evenwichtsoefening op de slappe koord tussen fictie en realiteit.

BERLIN toont in True Copy het interne radarwerk van een complexe man, als handleiding om – onder andere – de hypocrisie binnen de kunstwereld bloot te leggen. Welke waarde heeft de waarheid nog? En is het soms niet verfrissender om mee te kunnen gaan in een briljant vormgegeven leugen?

Donderdag 15 november is de wereldpremière van de voorstelling True Copy

Late Rembrandt

Bij het organiseren van zoveel mogelijk aandacht voor de Late Rembrandt heeft het museum in Amsterdam de hulp ingeroepen van een aantal bekende Nederlanders. Jort Kelder, André Kuipers, Sophie Hilbrand en Mart Visser nemen de bezoeker online mee door de expositie.

Bij de honderd laatste werken van de grootste schilder uit onze geschiedenis wordt de hulp ingeroepen van de snelle praters van het beeldscherm. Geschoolde wetenschappers moeten het alleenrecht prijsgeven. Dat zal best pijn hebben gedaan. En dan bij zo’n belangrijke tentoonstelling. Maar een directie die bij het publiek massaal aandacht wil vragen heeft vast gelijk. Oneliners hebben meer succes bij Jan Met De Pet van Drie Hoogachter dan wetenschappelijk verantwoorde uiteenzettingen.

Die laatsten worden al gauw saai. Universitair geschoolde kunsthistorici krijgen hulp van amateurs met praatjes.

Hoe erg is dat?

Kunstgeschiedenis is doorgaans boekenwijsheid. Zelf heb ik het ook enige tijd gestudeerd. Het is lang geleden en ik weet niet of er ondertussen veel is veranderd. Onderzoek naar herkomst en betekenis blijft vanzelf belangrijk.

Het is heel goed en belangrijk dat mensen daar tijd aan besteden. Maar kort en krachtig uitleg geven, een verhaal vertellen waar mensen graag naar luisteren, het is een kunst die je niet zo gauw leert in de bibliotheek. En ook niet in een prentenkabinet. Helaas. Daar mag een student niet eens hardop praten, daar moet gefluisterd worden, en zelfs dat is in de regel ongewenst.

Kunsthistorie. Tijdens excursies bezochten we met de professor altaarstukken in vele kerken en musea. Alle kerken en alle musea. Zo lieten we van Brugge en Gent tot Florence en Rome een eindeloze rij met heiligen en martelaren aan ons voorbij komen. De bijbehorende attributen en symbolen moesten minutieus besproken worden. Ik was niet katholiek opgevoed en buiten scheen de zon. Ik was meer geïnteresseerd in moderne kunst. Wat kon mij al die religieuze narigheid schelen. Het ging mij steeds meer tegenstaan. De studie kunsthistorie, het leek in die tijd wel een opleiding priester te worden.

Er schiet mij een anekdote te binnen. Waarschijnlijk waar gebeurd. Sandberg, indertijd directeur van het Stedelijk Museum, had een sollicitante op bezoek. Na afloop van het gesprek vroeg Sandberg waarom zij dacht voor de functie gekwalificeerd te zijn. “Ik heb kunstgeschiedenis gestudeerd” was het antwoord. “Oh,” had Sandberg gezegd, “dat hoeft toch geen bezwaar te zijn.” Maar zij werd vervolgens niet aangenomen. Sandberg had een hekel aan kunsthistorici, een enkele uitzondering daargelaten. Het was niet wat hij zocht. En terecht. De meeste kunsthistorici die ik ken weten nog steeds niet hoe ze een schilderij moeten vasthouden. Daar hebben ze een magazijnbediende bij nodig. Jazeker, een bediende met witte handschoenen.

En nu we het er toch over hebben: zou de restauratie van het Rijksmuseum zoveel jaren geduurd hebben als het project niet onder leiding van een kunsthistoricus had gestaan? Een kunsthistoricus en een bouwproject? We laten de metro in Amsterdam toch ook niet aanleggen door een archeoloog omdat er bij de graafwerkzaamheden potten en pannen tevoorschijn kunnen komen!

Rood vlekje in Hilversum

Afgelopen weekend was er kijkdag in Hilversum. Kunst en antiekveiling.

In dit veilinghuis was ik lang niet geweest.

Een aantal Friese staande klokken, stoeltjes klokken, een enkele comtoise. Niet zo lang geleden waren dat goede investeringen. Een paar kussenkasten waar ooit hele andere prijzen voor werden betaald. Dat was allemaal nog in het gulden tijdperk. Nu zijn de tijden veranderd. Complete serviezen en zilver waar tegenwoordig niemand raad mee weet. Twintig jaar geleden wel. In korte tijd heeft zich een grote verschuiving voor gedaan. Meubilair waaraan toentertijd afkomst en inkomen van de familie afgelezen kon worden is de deur uit gedaan en bijna niemand die het hebben wil. Een klok of kast die twintig jaar geleden twintig of dertig duizend opbracht gaat nu voor een paar honderd weg. De voormalige eigenaren zijn er niet meer, of zitten opgeborgen in een tehuis. Treurige zaken. Maar daar kwam ik niet voor.

Ik hoopte een kunstwerkje van Sal Meijer aan te treffen. Dat was er niet. Wat wel opviel waren schilderijen met opvallend mooie en dure lijsten. Dat zag er spik en span uit. Ongebruikelijk in deze aantallen voor een veiling.

Antiek bladgoud, maar als nieuw. Iets wat ik nog niet vaak op een veiling had gezien. Onbeschadigde lijsten van goede kwaliteit met schilderijen die er ook al zo netjes en goed verzorgd uitzagen? De doeken recentelijk schoongemaakt en vernist! Wat was hier aan de hand?

Via de veiling afscheid nemen van een schilderij is meestal geen feest. De veilingkosten zijn niet gering. 25 procent opgeld en soms 29 of zelfs 30 voor de koper. Tien of vijftien procent in mindering gebracht bij de inbrenger. Dat is meestal geen reden het kunstwerk eerst nog eens voor veel geld extra mooi in te lijsten en te restaureren.

Zou een kunsthandel in problemen zijn geraakt? Ten einde raad de voorraad naar de veiling gebracht?

Op weg naar huis zat ik nog aan iets anders te denken. Bij een enkel schilderij was een klein rood puntje te ontdekken. Bijvoorbeeld op een prachtige aquarel van Marius Bauer. Een stadsgezicht in Rome, buitengewoon vakkundig geschilderd. Maar met zoveel soorten grijs, iets te saai. Met een enkel vlekje rood, een paar millimeter groot, veranderde het hele schilderij. Een kleine ingreep, op het eerste gezicht niet in overeenstemming met de stijl van de kunstenaar. Maar wel verrassend op de juiste plek. Een kleur rood die verder niet op het schilderij voorkwam. Een miniem detail met een maximaal effect. Eerlijk gezegd iets te frivool voor de periode waarin het kunstwerk gedateerd moest worden. Een klein accent waarmee het geheel aanmerkelijk opgevrolijkt werd. Slim gedaan.

En even later schoot mij nog iets anders te binnen. Jaren geleden had ik een winkel in Spiegelstraat. Zonder dat ik er naar vroeg vertelde daar een collega bij een borrel dat hij zo goed schilderijen kon pimpen. Ik wist eerst niet wat hij daarmee bedoelde. Opleuken.

Toch eens gaan kijken of het daar wel goed met hem gaat.